Voor die heur geen geweld en doet

by gertekoo

Ik wil me hier vrij bedienen van verschillende talen. Ik hou het voorlopig op het Engels en het Nederlands, maar zie niet in waarom ik op een of andere dag niet iets in het Frans, Duits of Spaans zou willen proberen. Ik kan me voorstellen dat dit bij sommige lezers irritatie oproept. Dat is de voornaamste reden waarom ik mijn twitteraccount heb ontdubbeld in een Engelse en een Nederlandse versie: Nederlands gekwetter roept al eens een unfollow-reflex op bij een publiek dat Engels verwacht.

Maar hier wil ik me iets meer permitteren.

Langs een kronkel die ik mijn hersenen geen twee keer kan laten volgen, brengt mij dit bij een stukje van het woord vooraf van mijn proefschrift.
Ik haal hieronder aan wat ik 17 jaar geleden schreef, met enige gêne (hoe lang moet je wachten tot die plaatsvervangend wordt?)

PROFESSOR. Sir, do you know German?
PISCATOR. It is my grief, Sir, that I know no other tongue than mine own.
PROF. Then, Sir, my answer is this, Warum nicht?
PISC. Alas, Sir, I understand you not.
PROF. The more the pity. For nowadays, all that is good comes from the German. Ask our men of science: they will tell you that any German book must needs surpass an English one. Aye, and even an English book, worth naught in its native dress, shall become, when rendered into German, a valuable contribution to Science!
PISC. Sir, you much amaze me.
PROF. Nay, Sir, I’ll amaze you yet more. No learned man doth now talk, or even so much as cough, save only in German. The time has been, I doubt not, when an honest English “Hem!” was held enough, both to clear the voice and rouse the attention of the company, but nowadays no man of Science, that setteth any store by his good name, will cough otherwise than thus, Ach! Euch! Auch!

LEWIS CARROLL — The Vision of The Tree T’s

Onse Duytsche moeders tale heeft hy oock gesocht te vereeren, ende te toonen dat oock dese wetenschap inde selve tale wel kan verhandelt werden, waer toe hy hem beholpen heeft met veele nu wat ongebruyckelijcke, doch goede oude Duytsche woorden, die inde oude handvesten en de keuren bevonden werden, oock eenighe woorden door t’samenvouginge gemaeckt, doch soo dat den sin daer van seer licht is te vatten, ende tot nader gerief van de ghene die aende Latijnsche of bastaert-duytsche woorden zijn ghewent, zijn op de kant de Duytsche woorden vertaelt …

HUGO DE GROOT — Inleydinge tot de Hol-landsche Rechts-gheleertheydt

Dit proefschrift is doelbewust in het Nederlands geschreven. Het loont wellicht de moeite even bij deze keuze stil te staan. In ons taalgebied wordt er geredelijk van uitgegaan dat iets belangrijks beter meteen in het Engels wordt verteld. Deze taal wordt bijna wereldwijd verstaan en gesproken, en dringt zich almaar nadrukkelijker als lingua franca op, zeker in wetenschappelijke kringen. Het wordt bijvoorbeeld aan onze universiteiten steeds meer de gewoonte proefschriften in het Engels te schrijven en te verdedigen. Het Nederlands bevindt zich met meer dan twintig miljoen sprekers ergens tussen de kleine en de middelgrote talen in. We hoeven ons op dit punt geen illusies te maken. Wanneer men op vlugge en efficiënte wijze een internationaal publiek wil bereiken, heeft het weinig zin hiervoor het Nederlands te gebruiken. Er zijn op wereldschaal gewoon te weinig mensen die onze taal verstaan, laat staan spreken.

Dit betekent evenwel niet dat het Nederlands ongeschikt zou zijn om bijvoorbeeld wetenschap te bedrijven, om binnen ons taalgebied te communiceren op wetenschappelijk vlak of om jonge mensen een wetenschappelijke vorming te geven. Onze moedertaal — en dat geldt niet alleen voor Nederlandstaligen — heeft op dit vlak een belangrijke educatieve en sociale rol te vervullen. Wanneer ze wordt gereduceerd tot een huis-, tuin- en keukentaal en alle communicatie op een hoger niveau in het Engels gebeurt, wordt het een belangrijk publiek nodeloos moeilijk gemaakt aan deze uitwisseling van kennis en informatie deel te nemen. Rond de ivoren toren waarin veel wetenschappers zich maar al te graag opsluiten, wordt op die manier een brede slotgracht gegraven, met daarover gammele ophaalbrugjes, die taallessen heten. Dit is de eerste reden waarom ik deze dissertatie in mijn moedertaal heb geschreven en ook wil verdedigen.

Een tweede reden is van een iets sentimentelere aard. Het Nederlands is de taal waarin ik ben opgegroeid, waarmee ik mijn eerste tastende contacten met een wereld van kennis heb gelegd. In deze taal uitte ik voor het eerst mijn verdriet, vertelde ik mijn eerste grapjes, schreef ik mijn eerste liefdesbrief. Door er bewust voor te kiezen in het Nederlands ook deze nieuwe mijlpaal in mijn leven voorbij te stappen, kan ik er misschien toe bijdragen dat ze een beetje beter gewapend de overlevingsstrijd tegen dominantere talen kan ingaan.

Deze bedenkingen mogen ons echter niet blind maken voor de vele moeilijkheden die hierbij de kop opsteken. Wetenschap en techniek evolueren op explosieve wijze en veranderen grondig de kwaliteit en het uitzicht van het leven van alledag. Op zowat alle terreinen van onze samenleving worden we overstelpt met nieuwe begrippen en ideeën, nieuwsoortige gebruiksvoorwerpen, instrumenten, enz. Die zaken hebben een naam, en die is meestal Engels. Hoe reageert nu een taal als het Nederlands op deze vreemde invloeden? Laat ons het voorbeeld beschouwen van een wetenschapper van hier die het Nederlands als wetenschappelijke voertaal wil gebruiken, en met het probleem wordt geconfronteerd dat hij het moet hebben over zaken waarvoor in die taal (nog) geen naam bestaat. Hij kan dit op verschillende manieren verhelpen.

Ofwel neemt hij in het Nederlands het vreemde woord gewoon over — men spreekt ook van het ontlenen van woorden. Dat is sowieso de eenvoudigste oplossing, die courant wordt gebruikt en een zeer belangrijke rol speelt in het groei- en adaptatieproces van elke taal. Het eenzijdig aanwenden van deze oplossing legt evenwel alle taalcreativiteit in handen van vreemde talen.

Ofwel neemt onze wetenschapper een puristische houding aan en probeert hij met bestaande Nederlandse elementen een nieuw woord te bedenken dat het vreemde moet vervangen. Aan deze houding kan moeilijk consequent worden vastgehouden. Het hoge tempo waarmee nieuwe, vreemde woorden onze taal binnensijpelen, zou zeer hoge eisen stellen aan de taalcreativiteit van onze spraakmakers. Bovendien beslist niet de schepper van een woord, maar beslissen de gebruikers van de taal of het in het alledaagse taalgebruik zal worden opgenomen. Toch mogen we deze vorm van taalcreativiteit niet geringschatten. Dankzij bijvoorbeeld het scheppende genie van de Bruggeling Simon Stevin (1548–1620), beschikt het Nederlands over woorden als wiskunde, middelpunt, omtrek, evenaar, evenredig, aftrekken enz. Het was trouwens dezelfde grote ingenieur en wiskundige die besliste zijn werken niet in het Latijn — de toenmalige wereldtaal (sic transit …) — maar in de volkstaal te publiceren. Wat, tussen haakjes, niet heeft belet dat zijn geschriften een grote internationale verspreiding kenden.

Tussen beide extreme oplossingen reikt de taalgebruiker nog andere manieren van taalvorming aan. Zo leverde verbastering van vreemde termen ons woorden als evolutie, zolder, deken, rigoureus, chocola, enz. Volksetymologie moet verantwoordelijk worden gesteld voor woorden als hangmat en scheurbuik. Soms volgen woorden eigenaardige kronkels, zoals bijvoorbeeld boulevard, een leenwoord uit het Frans, dat de Fransen eerder na verbastering en betekenisverschuiving uit het Middelnederlands (bollewerc, bolwerk) overnamen. Iets analoogs is zoals bekend met het leenwoord mannequin aan de hand.

Ook bij het schrijven van dit proefschrift werd ik met het probleem van vreemde woorden geconfronteerd. Over possibiliteitstheorie en vaagverzamelingen is in het Nederlands zeer weinig verschenen. Er bestaat een zeer grote verwarring over de Nederlandse weergave van een aantal Engelse woorden dat sedert de opkomst van deze theorieën ook hier populair geworden is. Zo hoort men op lezingen en colloquia dikwijls op zeer inconsequente wijze spreken van ‘fuzzy sets‘, ‘vage sets‘, ‘vage verzamelingen’, ‘fuzzy logica’, ‘vage logica’, enz. Dikwijls wordt de hele theorie als ‘fuzzy logic‘ bestempeld, een pars-pro-toto-benaming die in de Angelsaksische wetenschappelijke wereld zeker niet in die zin wordt gebruikt. Nog minder gelukkig en ten enenmale slordig vind ik de op zichzelf staande term ‘fuzzy‘ die wordt aangewend om alles aan te duiden wat met vaagverzamelingenleer te maken heeft: fuzzy kan dit, volgens fuzzy geldt dat, enz.

In dit werk heb ik geprobeerd zulke slordigheden uit de weg te gaan, door voor elk vreemd woord dat opdook een ‘Nederlands’ woord te bedenken en dit dan stelselmatig verder te gebruiken. De eerste keer dat zo’n nieuwe term in de tekst wordt gebruikt (of gedefinieerd), zet ik er tussen ronde haakjes de oorspronkelijke term naast. Soms was een rechtstreekse vertaling — men spreekt in de taalkunde in dat geval van een leenvertaling of calque — mogelijk, hierbij evenwel rekening houdend met een aantal grammaticale basisregels. ‘Preference relation‘ kon zo worden omgezet in ‘voorkeurrelatie’, ‘fuzzy set‘ in ‘vaagverzameling’, ‘mesure de confiance‘ in ‘vertrouwensmaat’, ‘ample field‘ in ‘ruim veld’. Soms werd een combinatie van verbastering en analogie gebruikt: ‘crédibilité‘ werd ‘credibiliteit’ naar analogie met ‘probabilité‘ en `probabiliteit’ — de uitgang ‘-teit’ kan ook worden beschouwd als de verbastering van de Latijnse uitgang ‘-tas‘, accusatief ‘-tatem‘. Telkens als een volkomen nieuw begrip werd ingevoerd, heb ik hiervoor een Nederlandse naam gekozen die enerzijds voldoende de betekenis ervan weergeeft, en anderzijds eenvoudig in andere talen is om te zetten: ‘vertrouwensrelatie’, ‘possibiliteitsuitbreiding’, ‘uitbreidingslogica’, enzovoort.

Laten we deze opmerkingen over taal afsluiten door even stil te staan bij het woord ‘vaagverzameling’ — en bij uitbreiding de andere samenstellingen met ‘vaag’ in dit werk: ‘vaagmaat’, ‘vaagintegraal’, ‘vaagprobabiliteit’, ‘vaagveranderlijke’, enzovoort. In de beperkte Nederlandstalige literatuur over vaagverzamelingen zal men veelal de term ‘vage verzameling’ vinden. Wat in het Engels echter met ‘fuzzy set‘ wordt aangeduid, is stricto sensu geen verzameling in de wiskundige zin van het woord, maar een uitbreiding ervan die tot doel heeft vaagheid te modelleren. De naam ‘vage verzameling’ is in wezen een contradictio in terminis: in de wiskunde zijn verzamelingen zeer scherp afgegrensd. ‘Vaag’ kan niet zinvol als bijvoeglijk naamwoord bij het substantief ‘verzameling’ staan; het staat er als het ware haaks op. Trouwens, zoals we verder zullen merken is een fuzzy set een afbeelding, en dus helemaal niet vaag in de letterlijke zin van het woord. ‘Vaag’ kan alleen in overdrachtelijke zin bij ‘verzameling’ worden gevoegd om een nieuw begrip — en dus niet een bijzonder type verzameling — aan te duiden. In het Nederlands vangt men dit probleem op door samenstelling: door het aaneenschrijven van een (veelal onverbogen) adjectief en een substantief wordt een nieuw, emergent begrip gevormd, dat een andere betekenis heeft dan wanneer het adjectief gewoon als qualificatie voor het zelfstandig naamwoord staat. Zo is een hoogleraar geen (hoge) leraar, een grootmeester geen (grote) meester, een halfbroer geen (halve) broer, een klein-kapitaal strikt gezien geen (kleine) kapitaal — in het Engels wordt met dergelijke subtiliteiten niet altijd rekening gehouden: een vaagverzameling is gewoon een fuzzy set, klein-kapitalen heten small caps. Evenmin is een vaagverzameling een verzameling die vaag is, maar wel een nieuwe notie die het wiskundige begrip ‘verzameling’ overstijgt en alleen in overdrachtelijke zin vaag kan worden genoemd.

Advertisements